Onderzoek over regionale spreiding cultuur

Op 18 mei 2026 stuurde minister Letschert van OCW het Onderzoek Geografische spreiding cultuur (AEF/SEO) naar de Tweede Kamer. Het onderzoek richt zich op spreiding van cultuurvoorzieningen, culturele activiteiten en publieke cultuuruitgaven over Nederland. Hieronder gaan we achtereenvolgens in op: 1. Het onderzoek zelf 2. De begeleidende brief van de minister van OCW.

1. Kernbevindingen m.b.t. het onderzoek

Kwantitatief beeld:

  • Het rapport biedt een helder en uitgebreid overzicht van de cultuuruitgaven door publieke overheden.
  • Door vooral te kijken naar infrastructuur, wordt sociale spreiding niet meegenomen.
  • Op landelijk/provinciaal niveau is cultuuraanbod breed verspreid dankzij gemeenten.
  • Spreiding verschilt per sector sterk. Basisvoorzieningen als bibliotheken en cultuurbeoefening worden op lokaal niveau gesubsidieerd, hetgeen voor gelijke spreiding zorgt.

Kwalitatief beeld:

  • Er wordt gestuurd op spreiding (wettelijk, financieel, bestuurlijk), maar grotendeels indirect en procesmatig.
  • De effectiviteit van huidige instrumenten is moeilijk vast te stellen door een gebrek aan doelstellingen en monitoring.

Opmerkingen over de reikwijdte van het onderzoek:

  • De keuze om het rapport toe te spitsen op dansscholen en organisaties voor cultureel onderwijs, maakt dat meerdere onderdelen niet in beeld komen, zoals amateurkunst, culturele verenigingen, en overige informele cultuurbeoefening.
  • De keuze om in de categorie erfgoed te focussen op musea, ongeacht het inhoudelijke programma, maakt dat het zicht op organisaties voor beeldende kunst, archieven en cultuurbeoefening ontbreekt.
  • De keuze om in de categorie beeldende kunst het aantal kunstuitleencentra en scheppende kunstbedrijven als basis te nemen (en deze categorie onvoldoende toe te lichten), maakt de kans groot dat ook freelance vertalers, stemacteurs, ontwerpstudio’s, festivalorganisaties en decorbouwers worden meegenomen in de dataset voor beeldende kunst.
  • De keuze om wat betreft de popsector te focussen op de permanente infrastructuur, maakt dat programmering op poppodia en in theaters niet is onderzocht. Hierdoor blijft het zicht op spreiding in deze sector beperkt. Locatietheater of festivals zijn ook niet meegenomen.
  • De keuze om in de sector architectuur & ontwerp het aantal architectenbureaus als basis te nemen, maakt dat ontwerpers en ontwerpstudio’s zijn als datagroep afwezig zijn.
  • In algemene zin spreekt het rapport nauwelijks over makers en kunstenaars.

Conclusies:

  • Het AEF/SEO rapport is inhoudelijk waardevol dankzij de koppeling van kwantitatieve data en kwalitatieve analyse en interviews. Met name op het gebied van publieke uitgaven aan de CSS door het Rijk, de provincie en gemeenten geeft het onderzoek een helder beeld.
  • Mede vanwege de hierboven genoemde keuzes geeft het onderzoek geen compleet beeld bij meerdere sectoren. De spreiding in sectoren met een fysieke infrastructuur – zoals bibliotheken, theaters, podia of bioscopen – zijn beter in kaart gebracht dan bijvoorbeeld beeldend kunstenaars, ontwerpers en amateurkunst. Daarnaast wordt de spanning tussen spreiding en kwaliteit/pluriformiteit van het cultuuraanbod wel benoemd, maar niet empirisch onderzocht.

Het eindresultaat is een gedegen, methodologisch transparant onderzoek dat een feitelijke basis geeft voor het debat rondom cultuuraanbod in Nederland. Het toont opnieuw de noodzaak aan van goede monitoring van alle sectoren en herhaalt de roep om betere bestuurlijke afspraken en gezamenlijke visie.

2 Brief van de minister en de koppeling aan moties

In de begeleidende brief (aan de Tweede Kamer) schrijft de minister dat zij met dit onderzoek opvolging geeft aan vier moties. Kunsten ’92 is van mening dat met het onderzoek twee moties niet worden afgedaan. Het betreft de volgende twee moties.

Motie Rooderkerk/Mohandis (bloeiende culturele sector in heel Nederland beter borgen). Deze motie gaat mede over het wettelijk vastleggen van vier doelstellingen in de wet op het specifiek cultuurbeleid.
Met het rapport wordt deze motie slechts gedeeltelijk opgevolgd, omdat het aanbodoverzicht niet compleet is – het rapport erkent dit zelf. Ook is sociale spreiding (versus geografische spreiding) niet onderzocht. En deze komt niet terug in de aanbevelingen. De aanbevelingen beantwoorden de kernvraag van de motie onvoldoende: namelijk hoe een bloeiende culturele sector in heel
Nederland beter geborgd kan worden, met het wettelijk vastleggen van de vier doelstellingen voor cultuur (zoals de Raad voor Cultuur dat ook adviseert).

Motie Van der Velde/Van Zanten (vestiging buiten de Randstad aantrekkelijker maken bij BIS-herverdeling):
Ook deze motie wordt niet volledig opgevolgd. Het onderzoek stelt weliswaar vast dat spreiding al is verankerd in de BIS-regeling en beoordelingskaders, maar doet geen aanbeveling om vestiging buiten de Randstad daadwerkelijk aantrekkelijker te maken.

De minister schrijft dat zij in een volgende brief (waarschijnlijk in oktober) over het cultuurbestel met een inhoudelijke reactie komt op de belangrijkste uitkomsten van het onderzoek. De minister schrijft ook dat deze reactie komt nadat zij op 14 september met medeoverheden (provincies en gemeenten) heeft gesproken.